Voorlopige maatregelen in kortgeding

Tijdens de echtscheidingsprocedure blijven beide partijen gehuwd. In afwachting van het uitspreken van de echtscheiding dient de situatie ‘voorlopig’ geregeld te worden. Deze maatregelen die door de rechter worden opgelegd, worden de ‘dringende en voorlopige maatregelen’ genoemd.

De verplichting tot samenwonen wordt opgeheven met storingsverbod. De bijstandsplicht en het leven van de kinderen wordt geregeld.

Het akkoord van beide partijen omtrent bepaalde onderdelen kan erkend worden door de rechter. Bij gebrek aan een akkoord worden zij opgelegd door de ‘Voorzitter van de Rechtbank’ in kortgeding. Deze procedure zal door onze medewerkers dan ook vaak de ‘kortgedingprocedure’ genoemd worden. Dit onderdeel van de echtscheiding zal bijgevolg in een afzonderlijke procedure én door een andere rechter beoordeeld worden.

De voorlopige maatregelen betreffen onder meer wie in de echtelijke woning mag blijven wonen, wie de schulden verder afbetaalt, wie het voorlopig gebruik van bepaalde goederen krijgt (bv. de auto), bij wie de kinderen verblijven én hoeveel onderhoudsgeld voor de ex-partner of voor de kinderen betaald moet worden.

In principe kan alles geregeld worden wat in het belang van het gezin of haar leden is. De meest voorkomende maatregelen zijn:  

Verblijf in de echtelijke woning – storingsverbod

De voorzitter kan aan één van beide echtgenoten toelaten de echtelijke woning te bewonen én aan de andere echtgenoot verbieden deze te betreden. Hij kan deze echtgenoot toelaten elders afzonderlijk verblijf te houden, waar eveneens een storingsverbod zal gelden. Indien één van de echtgenoten het storingsverbod overtreedt, kan beroep worden gedaan op de politie om een einde te stellen aan de gepleegde inbreuk.

Ook bestaat er een bijkomende bescherming voor slachtoffers van partnergeweld: zodra er ernstige ‘aanwijzingen’ zijn van geweld moet de rechter afzonderlijke woonst toekennen aan het slachtoffer in de echtelijke woonst behalve in ‘uitzonderlijke omstandigheden’.

Aanwijzingen van geweld zijn voldoende. Een eventueel lopend strafrechtelijk onderzoek dient niet afgewacht te worden. Een verklaring van het slachtoffer gestaafd met een doktersattest kan voldoende zijn.

• Onderhoudsuitkering aan de echtgenoot tijdens de echtscheidingsprocedure

De voorzitter kan aan de financieel zwakkere echtgenoot een onderhoudsbijdrage toekennen.

Deze uitkering tijdens het huwelijk wordt door totaal andere rechtsregels beheerst dan de uitkering na echtscheiding op grond van artikel 301 B.W.

De echtgenoten kunnen verplicht worden elkaar gedurende het huwelijk een onderhoudsbijdrage te betalen en dit op basis van de artikelen 213 (hulpplicht) en 221 (bijdrageplicht) B.W.

Artikel 213 B.W. bepaalt “echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd”

Artikel 221 B.W. bepaalt “Iedere echtgenoot draagt in de lasten van het huwelijk bij naar zijn vermogen.”

In het begin wordt deze hulp- en bijdrageplicht in natura nagekomen. Wanneer de samenwoning niet langer mogelijk blijkt, zal zij de vorm aannemen van een onderhoudsbijdrage. Deze onderhoudsbijdrage tijdens de feitelijke scheiding verbindt de echtgenoot ertoe in levensonderhoud van zijn ex-partner te voorzien. De uitkeringsgerechtigde moet in staat gesteld worden om dezelfde levensstijl aan te houden die hij/zij zou gehad hebben indien er geen echtscheiding was geweest. De grootte zal dus afhankelijk zijn van de inkomsten en mogelijkheden van beide partijen, alsook van de levensstandaard tijdens het huwelijk.

Deze uitkering, persoonlijk onderhoudsgeld toegekend door de voorzitter, vervalt bij het definitief worden van de echtscheiding en zal in principe dus slechts gelden voor een korte periode.

• Ouderlijk gezag over de kinderen

In principe blijven de ouders, ook na echtscheiding, het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen. Dit betekent dat beide echtgenoten evenveel zeggenschap behouden over de keuzes in het leven van het kind zoals: de school, studierichting, religie, medische ingrepen, etc. Beide ouders dienen hieromtrent op voorhand overleg te plegen.

• Verblijfsregeling voor de kinderen

Sinds de wet van 18 juli 2006 dient de rechter na te gaan of het mogelijk is om met betrekking tot de kinderen een tweeverblijfsregeling uit te werken. De rechter dient na te gaan of het mogelijk is dat de kinderen gedurende gelijke periodes afwisselend bij elk van de ouders verblijven.

De rechter is evenwel niet verplicht om een tweeverblijfsregeling op te leggen. Het welzijn van het kind zal bij de beoordeling steeds voorop staan. De rechter zal daarbij rekening houden met de leeftijd van het kind (indien het kind te jong is, zal het aan de moeder toegewezen worden), de afstand tussen de verblijfplaatsen van de ouders, de afstand ten opzichte van de school, de beschikbaarheid van de ouders, de relatie tussen de ouders, …

Indien een tweeverblijfsregeling niet mogelijk geacht wordt, zal aan de ene ouder hoofdverblijfplaats toegekend worden. Bij die ouder zullen de kinderen voornamelijk verblijven.

Aan de andere ouder zal een secundair verblijf toegekend worden. Het secundair verblijf geldt meestal gedurende één op twee weekends (van vrijdagavond tot zondagavond) en gedurende de helft van de vakanties. Het secundair verblijf kan aangepast worden aan de specifieke situatie van beide partijen.

Indien de kinderen ouder zijn dan 12 jaar, kan de voorzitter besluiten om hen te aanhoren. Indien er aanwijzingen zijn dat de kinderen bij een van de ouders niet veilig ondergebracht kunnen worden, kan de Voorzitter beslissen om een maatschappelijk of politioneel onderzoek ten aanzien van die ouder te voeren.

• Onderhoudsgeld voor de kinderen

De wet bepaalt dat elk van beide ouders naar evenredigheid van hun middelen dienen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen.

De rechter zal de grootte van het onderhoudsgeld bepalen rekening houdend met de kosten van het kind en de inkomsten van beide partijen.

Een veelvoorkomend misverstand is dat men geen onderhoudsgeld dient te betalen indien een alternerend verblijf toegekend wordt. Gezien het feit dat partijen evenredig met hun inkomsten moeten bijdragen aan het onderhoud, is dit niet het geval. De ouder die meer verdient zal een proportioneel groter aandeel van de kosten moeten dragen én bijgevolg aan de andere ouder een uitkering voor het kind moeten betalen.

De rechter zal eveneens de kinderbijslag aan een van de ouders toekennen.

• Geldigheidsduur voorlopige maatregelen

De voorlopige maatregelen gelden in principe slechts voor de duur van de echtscheidingsprocedure, meer bepaald tot het vonnis dat de echtscheiding definitief maakt, van kracht is. De genomen beslissingen met betrekking tot de kinderen blijven evenwel gelden na de echtscheidingsprocedure. Indien na de echtscheidingsprocedure een wijziging van de maatregel noodzakelijk is, kunnen beide partijen zich wenden tot de Jeugdrechtbank of de Vrederechter.

• Deelakkoorden

Op elk ogenblik kunnen deelakkoorden afgesloten worden omtrent de voorlopige maatregelen. De doelstelling van de wetgever is echtgenoten ertoe aanzetten om onderling zoveel mogelijk  akkoorden op maat uit te werken.