Huurwaarborg

De nieuwe wet beschrijft drie vormen van huurwaarborg:

1. Een waarborg die wordt gestort op een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder.

In dit geval mag de waarborg niet meer bedragen dan een bedrag gelijk aan 2 maanden huur.

2. Een bankwaarborg die het de huurder mogelijk maakt de huurwaarborg progressief samen te stellen.

In dit geval garandeert een financiële instelling het totale bedrag van de waarborg van bij het afsluiten van de huurovereenkomst. De huurder verbindt er zich toe om gedurende de duur van de huurovereenkomst, met een maximumduur van drie jaar, deze waarborg samen te stellen middels constante maandelijkse afbetalingen. De huurder is aan de financiële instelling geen enkele rente verschuldigd, terwijl deze instelling van haar kant de huurder pas rente zal uitkeren vanaf de dag dat de waarborg volledig is samengesteld.

De huurder is verplicht om de aanvraag voor een bankwaarborg in te dienen bij de financiële instelling waar hij zijn rekening heeft en waar zijn beroeps – of vervangingsinkomsten worden gestort. De financiële instelling kan de waarborg niet weigeren omwille van de kredietwaardigheid van de huurder. De waarborg mag niet hoger liggen dan een bedrag gelijk aan 3 maanden huur.

3. Een bankwaarborg ten gevolge van een standaardcontract tussen het OCMW en een financiële instelling.

Het OCMW dient hiertoe een verzoek in te dienen bij de financiële instelling. Ook in dit geval mag de waarborg maximum uit een bedrag gelijk aan 3 maanden huur bestaan. In een bijlage bij het Koninklijk Besluit van 4 mei 2007 genomen in uitvoering van artikel 10, §1, laatste lid, van de huurwet, is een standaardformulier vastgelegd waarmee de financiële instellingen ten aanzien van de verhuurders kunnen bevestigen dat de huurwaarborg toegekend is, ongeacht de manier waarop deze waarborg werd gevormd.